Archief voor juli, 2010

HET BELANGRIJKSTE IN HET LEVEN

Onder meer de succesvolle prestaties van landgenoot Kenenisa Bekele doen Haile Gebrselassie besluiten een punt te zetten achter zijn carrière op de tartanbaan. Na alles te hebben gewonnen wat hij kon winnen, gooit hij het over een andere boeg. Gebrselassie spreekt met SI uitgebreid over zijn nieuwe passie. De Marathon.

FBK Games. Hengelo. 31 mei vorig jaar. In een niets ontziend tempo loopt Kenenisa Bekele naar de winst op de vijf kilometer. Rondenlang draaft hij met zijn achtervolgers op meer dan een halve ronde achterstand alleen over de rode baan. Die eindtijd! 12.37,35. Fenomenaal! Weer een record van Haile Gebrselassie uit de boeken. Weer door diezelfde landgenoot, die kort daarvoor ook al het record op de tien kilometer uit de boeken liep. Kenenisa Bekele is de nieuwe keizer op de lange afstand. De Keizer is dood, leve de keizer.

Haile Gebrselassie is duidelijk: ‘Hij heeft veel meer potentie dan ik. Ik ben de op een na beste atleet van Ethiopië.’ Gebrselassie zal de records van Bekele niet meer aanvallen. Hij heeft de baanatletiek vaarwel gezegd. Hij wil alleen winnen en dat kan niet meer. Of zoals de goedlachse Ethiopiër zelf zegt: ‘Kenenisa is gaan lopen vanwege mij. Ik begin met het lopen van marathons vanwege hem.’
Bekele kan dan meer potentie hebben dan zijn negen jaar oudere landgenoot. Hij moet het nog wel bewijzen. Haile Gebrselassie heeft dat al lang gedaan. ‘Ik kan in Ethiopië niet meer over straat zonder te worden aangeklampt.’ Zijn manager Jos Hermens zegt zelfs dat wanneer Gebrselassie zichzelf kandidaat stelt voor het presidentschap, hij met tachtig procent van de stemmen de troon zal bestijgen. ‘Hij is veruit de populairste persoon van het land. Daarna komt een heel eind niemand en dan Tulu (Derartu, tweevoudig olympisch kampioen 10.000m, red.).’ Ga maar na. Tweevoudig olympisch kampioen op de tien kilometer, viervoudig wereldkampioen op de tien, én hij brak in totaal achttien wereldrecords. Doe dat maar na. Bekele heeft nog een lange weg te gaan.
Het zal De Keizer, zoals Gebrselassie wordt genoemd vanwege zijn onoverwinnelijkheid in de jaren negentig, goed hebben gedaan dat hij vorige maand nog een wereldrecord liep. Tijdens de Tilburg Ten Miles liep hij als voorbereiding op de marathon van Amsterdam. Manager Jos Hermens haalde de Ethioper naar Tilburg omdat de zes weken die tussen de Brabantse race en de Amsterdamse zitten, perfect zouden zijn. ‘En ook de afstand is perfect’, verduidelijkte Hermens. ‘Zou hij een langere afstand lopen, was het niet goed. Haile loopt altijd op het maximum. Hij kan niet anders. Een halve marathon zou al teveel zijn.’ Het werd zijn achttiende wereldrecord in Tilburg. De incourante afstand van tien Engelse mijlen (16.093,4 meter) wordt door de IAAF niet erkend, maar het wereldrecord, dat hij afpakte van Martin Mathathi, smaakte hem bijzonder goed. ‘Ik kom zeker nog een keer terug naar Tilburg’, merkte hij monter op.
Maar het is niet genoeg voor Gebrselassie. Het wereldrecord op de marathon, dát is zijn doel. Zijn ultieme doel en wellicht ook het laatste dat hij als hardloper ooit zal doen. Voor zover dat nog niet is gebeurd zal hij daarmee Abebe Bikila van de troon stoten als meest bewonderde hardloper van Ethiopië. Bikila maakte van de marathon in één klap de poplairste sport in het Afrikaanse land dat al decennialang kampt met oorlog en hongersnood. De lijfwacht van de keizer won twee keer een olympische marathon. De eerste in 1960. Blootsvoets. Ook Haile Gebrselassie beseft dat: ‘Since Bikila, the marathon is so special. Number one in Ethiopia. De media in ons land hebben mooie dingen nodig om de mensen af te leiden van de ellende waarin ze leven. Sinds het succes van Bikila is de marathon het belangrijkste in het leven van veel Ethiopiërs.’
Gebrselassie heeft de olympische marathons van zijn landgenoot niet gezien. Hij zagt pas het eerste levenslicht dertien jaar na het eerste succes. Toch kreeg hij het virus mee. En hij was goed. Hij liep dagelijks tien kilometer naar school in ijle luchten op drieduizend meter boven zeeniveau. Over slechte en stoffige paden. Over vlak, maar ook over heuvelachtig gebied. Het was wél de allerbeste training die hij ooit had kunnen krijgen op die jonge leeftijd. Dat bleek alleen nog niet in de eerste wedstrijd die hij liep. Hij was zestien, maar hij weet het nog precies.
‘Het was een hele grappige ervaring. Ik kwam voor een korte afstand. Maar wat bleek. De enige wedstrijd die er was, was een marathon. Ik had geen keuze. Het was hard. Toen ik weer terug thuis was merkte ik dat. Ik zat een week lang thuis. Ik kon niet meer lopen. Alles deed pijn. Zelfs naar de wc gaan was al moeilijk. Dat was een hele slechte tijd.’
Voor Gebrselassie betekende het dat hij lang geen marathons meer liep. Hij had toch al niet het idee dat hij voor de marathon ging. Hij wilde olympisch kampioen worden op de vijf en tien kilometer. Net als Miruts Yifter, die op de Spelen van Moskou in 1980 de vijf en tien won. Zoals een Nederlandse jongen van twintig ook meer bewondering heeft Marco van Basten dan voor Johan Cruijff, ging ook zijn bewondering naar een tijdsgenoot, Yifter in plaats van Bikila.
Gebrselassies vader was pas overtuigd van zijn ambities toen zoon Haile na de wereldtitel in 1993 terugkwam met een grote Mercedes. Toen pas begreep zijn vader dat je met hardlopen misschien wel net zoveel of meer kan verdienen dan wanneer je dokter bent. Gebrselassie zou de auto zes jaar ongebruikt laten staan. Hij had geen rijbewijs en hij liep liever.
Drie jaar eerder viel hij voor het eerst onder de aandacht bij Jos Hermens van Global Sports Communication. ‘Hij viel vooral op door zijn goede voetenwerk’, zegt Hermens nu. ‘En door zijn lach, ondanks het dictatoriale regime in zijn land, had hij plezier en dat straalde hij uit. Hij sprak nog nauwelijks Engels. “Me Europe, me Europe”, was het enige dat hij zei.’ Het duurde tot ’93 voor Hermens Gebrselassie echt onder zijn hoede had. ‘Hij kon toen beter Engels en na het WK Cross Country heb ik hem letterlijk op de bonnefooi het hotel en het land uitgesmokkeld naar Nederland.’ In 1995 won hij net als twee jaar eerder het WK op de tien, in ’97 zegevierde hij weer en in ’99 opnieuw. Tussendoor werd hij in Atlanta kampioen en herhaalde hij dat kunstje op de Spelen van Sydney.
Maar nu is het genoeg. De marathon heeft hem gegrepen. ‘Het mooist is als je degene bent die achter de motor loopt’, lacht Gebrselassie. ‘That’s the good part. Als alle mensen naar je schreeuwen. Iedereen enthousiast is. Maar als je in de groep erachter zit is het niks meer. Dat is niet leuk.’ Hij vergelijkt dat met de voetbalwedstrijd die hij laatst zag van Internazionale tegen Shakhtar Donetsk. De Milanese ploeg moet naar aanleiding van de ongeregeldheden in de stedelijke derby tegen AC Milan in de Champions League van vorig seizoen vier wedstrijden zonder publiek spelen, waarvan dit er een was. ‘Dat ziet eruit als een training. Dan speel je in zo’n groot stadion zonder mensen. Dat is het meest magische aan een marathon. Alle mensen.’
Hij moet het vooral van de televisie weten, want veel marathons liep De Keizer nog niet. Na zijn 99ste plaats in de marathon in Ethiopië liep hij drie jaar geleden zijn tweede. In Londen. Hij had toen al zijn droom. Hij hoopte op een droomstart en hij hoopte ook toen al op het wereldrecord. Dat wereldrecord kwam er, al werd dat gelopen door Khalid Khannouchi (2.05,38). Haile werd derde achter de huidige wereldrecordhouder Paul Tergat (2.04,55 Berlijn 2003). ‘Ik was goed. Tot de laatste twee kilometer. Dat kwam vanwege de kasseien die er lagen vanaf kilometer veertig bij de Tower Bridge. Toen ging het niet meer.’ De statistici zagen echter nog wel een record in de tijd van Gebrselassie. De 2.06,35 was de snelste tijd ooit door een debutant gelopen. Hij had een contract voor nog twee marathons in Londen. En lange slepende achillespeesblessure stak daar echter een stokje voor en daardoor is hij er niet meer geweest voor de marathon. ‘Misschien dat ik nog wel terugkom. Nu ben ik wel blessurevrij.’
Of Gebrselassie het wereldrecord komende maand al in Amsterdam breekt, durft hij niet te beloven. ‘Dat hangt van heel veel zaken af. Van het weer, van de hazen, van de vorm van de dag. Het moet allemaal perfect zijn, wil je een wereldrecord lopen. Maar ikzelf moet sneller. 2.05 is mogelijk. Misschien al in Amsterdam, maar dat hoeft niet per se. Ik wil in elk geval een keer het wereldrecord lopen. Ik voel me nog achttien, al zie ik er misschien uit als 21, haha. Ik heb nog wel een tijd te gaan. Dit is denk ik het perfecte moment aan de marathons te beginnen.’
Via Amsterdam moet de weg leiden naar de marathon van Peking 2008. Dat is de droom van Gebrselassie. In de voetsporen treden van Bikila. En het moet leiden naar het wereldrecord. Daarvan denkt de Ethiopiër dat het over een tijdje onder de magische grens van twee uur komt. ‘Het kan niet lang meer duren voor het gebeurt’, zei hij na het wereldrecord van Paul Tergat. Hij verduidelijkt nu: ‘The question is just when. In de laatste 45 jaar is het wereldrecord op de marathon tien minuten omlaag gegaan. Dus dat kan, toen dachten ze ook dat je niet onder de twee uur en een kwartier kon lopen.’ Len Edelen doorbrak in 1963 voor het eerst de grens van 2.15. ‘Het moet dus mogelijk zijn in een jaar of twintig, 25 onder de twee uur te lopen. Maar dat is ook afhankelijk van technologie. Schoenen zijn bijvoorbeeld ook heel belangrijk daarvoor. Tijdens mijn carrière is 2.02 al wel mogelijk, denk ik.’
Haile Gebrselassie. Hij is een man die altijd lacht, hij maakt grappen en is altijd ontspannen. Zo is hij in het gewone leven, zo leeft hij ook naar wedstrijden toe. Jos Hermens beleeft daardoor een hechte vriendschap met de Ethiopiër. ‘Hij pikte vroeger al alles snel op’, verhaalt de manager. ‘En buiten dat is hij ook nog een succesvol zakenman, hè? Vergeet dat niet. Hij heeft duizend mensen onder zich. Hij heeft drie scholen, een bioscoop en nog een aantal gebouwen.’
Gebrselassie de zakenman staat in schril contrast met Gebrselassie de langeafstandsloper. Ook dat weet Hermens. ‘Met Haile heb ik het nauwelijks over geld. Hij leeft met het idee dat hij moet lopen en dat wij ons bezig houden met de centen. Dat is heel anders dan met de nieuwe atleten. Met Kenenisa Bekele zit ik bijvoorbeeld vaker om de tafel. Hij vraagt ook veel meer startgeld aan de wedstrijdorganisatoren. Hij weet dat hij de ster is, en handelt daar ook naar. Dat is het verschil tussen Haile en Kenenisa.’
Hij zegt het niet hardop, maar het is alsof de manager wil zeggen dat Gebrselassie meer voor de sport leeft en Bekele de centen net zo belangrijk vindt als de sport. Gebrselassie omschrijft zijn gevoel voor de sport op een manier die eigenlijk voor alle sporters zou moeten gelden. ‘It’s an addiction. Running is like a drug. Als ik een dag niet loop, voel ik me slecht. Mijn lichaam heeft zweet nodig. I need food and I need run.

‘DIT IS DE JUNGLE’

Steven Korteling nam voor het eerst in zijn carrière deel aan het kwalificatietoernooi voor het ABN AMRO World Tennis Tournament. SI volgde de Nederlands kampioen in zijn voorbereiding op het toernooi en maakte kennis met de overlevingsstrijd in de onderste regionen van het profcircuit.

Het regent pijpenstelen. Op de snelweg glijden auto’s langzaam richting werk, richting familie of naar de stad. Hondenweer. Weer om je nest in te duiken. Van Leusden naar Almere rijdt ook zo’n auto. Langzaam. Niet harder dan negentig kilometer per uur, want veilig aankomen is het devies. Over twee dagen is het zover voor de bestuurder. Een dag om nooit te vergeten. Het debuut op het grootste ATP-toernooi van Nederland. Weliswaar in het kwalificatietoernooi, maar toch. Voorzichtig blijven rijden, laat je gedachten niet van de weg af dwalen.
De reis voert langs de wijdse groene weiden die Flevoland rijk is, slechts zichtbaar tussen de zwiepende ruitenwissers door. Ergens in een buitenwijk van Almere, daar moet hij zijn, bij sporthal Centrepoint. In die hal traint elke dag de selectie van Jong Oranje. Ook vandaag, de donderdag voor het toernooi.
In de kantine van de hal is het warm. Een handdoek ligt klaar om het gezicht af te drogen, zelfs doorweekt geraakt van de vijftien meter die het lopen is van de auto naar de ingang van het tenniscentrum. De barjuffrouw glimlacht. Het zijn toch een beetje haar jongens, die tennissers van Jong Oranje. ‘Ik werk hier al zestien jaar’, zegt ze desgevraagd. ‘Sinds een paar jaar trainen ze hier. Je leert ze kennen, maar houdt ze in hun waarde. Veel praten ze niet met mij, maar toch komen ze zo af en toe een drankje halen. Soms zie je ze elke dag en dan weer een paar maanden niet. Michaella Krajicek ook, tot een tijd geleden was ze hier vaak. Nu heb ik haar al een hele poos niet gezien. Zo gaat dat bij tennissers van Jong Oranje, hè? Als ze doorbreken zie je ze nauwelijks meer.’
De hal is zo sfeerloos als een effen wit geschilderde deur, het is er doodsstil. Alleen het zachte gepok van tennisballen is er te horen. Het interieur bestaat uit vier grasgroene tennisbanen, verder kale muren en een enkel reclamebord. Het is een sinister beeld. Sinister genoeg om hard te trainen, heel hard om hier maar zo snel mogelijk vandaan te komen. Op naar de tophonderd van de mondiale tenniswereld, want dan is Almere uit zicht. Dan komt de glamoureuze tenniswereld wél dichtbij. Niets, maar dan ook niets, van de glitter en glamour die op televisie bij tennistoernooien is te zien, weerkaatst namelijk in deze hal.
In deze zaal, direct naast de kantine, traint ook Steven Korteling (21). Rustig, op zijn gemak, maar uiterst geconcentreerd. Zijn donkerbruine haren wapperen vanonder zijn rode haarband naar achteren bij elke klap die hij de geelgroene tennisbal geeft. Servicetraining. Hij zet zes tennisballenblikken in het servicevak. Zelf gaat hij aan de andere kant van het net achter de baseline staan. Een service, net mis. De tweede klap. Een hard geluid van blik echoot in de hal na. Verder is de hal geluidloos. Een herhaling van zetten volgt, tot hij alle zes blikken omver heeft geserveerd. Hij buigt het hoofd en loopt op zijn gemak frunnikend aan zijn tennisracket naar de andere kant van het net. Hij zet de blikken recht en neemt zijn plek weer in achter de servicelijn. Herhaling.
Het is het weinig opwindende leven van een tennisser die de top nog niet heeft gehaald. Ook Korteling is zo’n speler. Een tennisser wiens leven samenhangt van trainen, trainen en nog eens trainen. Weinig spelen, veel trainen. En als hij speelt, is dat op krakkemikkige Future-toernooien. Zonder ambiance. Zonder prestige.
‘Leuk is anders’, vindt Korteling. ‘Het is pas een mooi leven als je ook echt progressie maakt, als je ziet dat je stijgt op de wereldranglijst. Het is niet leuk om te blijven hangen, je moet verder wil je het echte profleven in. Dit is de jungle, de onderlaag van het proftennis, daar moet ik uit zien te komen.’
Een proftennisser is Korteling dan wel. Maar zijn leven kunnen bekostigen en sparen voor de toekomst, dat is wat hij wil, maar de uitvoering van die wil is nog slechts toekomstmuziek. ‘Ik maak veel kosten en het prijzengeld is niet rendabel. Ik moet ronden winnen, geld bij elkaar sprokkelen. Als ik geluk heb, speel ik quitte. Van de prijzen alleen kan ik niet leven. Gelukkig krijg ik van de bond nog ondersteunig en daarnaast moet ik eigen sponsoren zoeken.’ Korteling laat zijn tennisschoenen zien. De naden van het schoeisel laten los. Onderop, bij de tenen en aan de zijkant is er van reliëf geen sprake meer, totaal versleten. ‘Kijk, hier doe ik drie weken mee. Dan zijn ze kapot en moet ik weer nieuwe hebben. Gelukkig heb ik daar een sponsor voor en mijn ouders helpen ook nog als ik echt in geldnood zit. Anders zou ik erbij moeten gaan werken, nu kan ik me puur richten op het tennis.’
Voor de toernooien in Nederland kan Korteling veel bij zijn ouders terecht. Speelt hij echter in het buitenland, overnacht hij in hotels. En die slaapplekken zijn heel verschillend. Nooit veel luxe, maar echt schrikbarend zijn ze nu ook weer niet, vindt Korteling. ‘Maar het hotel is ook niet zo belangrijk. Het gaat om het tennis. Eten en slapen zijn nooit heel slecht. Voor Jong Oranje wordt gelukkig nog wel iets geregeld. En ik kom uit Nederland, dat scheelt ook een hoop. Je kan toch iets meer betalen. Voor andere jongens in het circuit dat ik speel is het echt beknibbelen. Toch steeds een nog goedkoper hotel zoeken, soms zelfs een tent op een camping zetten. Het is de harde weg naar de top. Dat is op zich wel leuk, zolang je maar wel progressie boekt.’
Goedkoop, dat is toch het toverwoord voor de geboren Arnhemmer. Vandaar ook zijn beleid om op één vlucht zoveel mogelijk toernooien te spelen. ‘Ik ga bijvoorbeeld binnenkort naar Sicilië. Daar speel ik drie toernooien. Ook probeer ik daar steeds te dubbelen, zodat ik dus zes prijzen kan winnen.’ Goedkoop, dat is ook thuis bij zijn ouders Willem en Annet slapen, zoals tijdens het World Tennis Tournament in Rotterdam.
Vrijdags na de loting hoort hij tegen wie hij de volgende dag speelt. De tegenstander wordt Ivo Minar, een Tsjech van wie Korteling weinig weet. ‘Ik ken hem eigenlijk nauwelijks. Ik ga er gewoon blank in en mijn beste tennis proberen te laten zien.’ Minar staat 103 op de wereldranglijst en speelt sinds 2002 professioneel. Zijn belangrijkste prestatie dit jaar is het halen van de finale in Sydney, ook na het spelen van het kwalificatietoernooi. Lleyton Hewitt was hem in de finale van dat toernooi de baas.
Het ontbijt zaterdag is stevig, die ochtend om 7.30 uur. Een kop koffie, een schaaltje muesli met yoghurt, een bruine boterham met banaan, een bruine boterham met tomaat en als afsluiter een beschuitje met vruchtenhagel. ‘Die vruchtenhagel kan wel. Sommige tennissers doen erg moeilijk over suiker, maar ik vind dat dat gewoon moet kunnen. Als je over het algemeen maar blijft opletten met wat je eet.’
Via de A28, A27 en de Ring A15 om Rotterdam rijdt Korteling naar Ahoy’. Opnieuw regent het pijpenstelen. De weg is net als donderdag slecht zichtbaar. Als dat maar geen voorbode is voor de wedstrijd… Het kwalificatietoernooi bestaat in het gunstigste geval uit twee wedstrijden. Win je de eerste, speel je zondag de tweede wedstrijd. Win je die ook, sta je in het hoofdtoernooi.
Even na negenen arriveert Korteling in Ahoy’. In de players lounge ontmoet hij de technisch directeur van de tennisbond, Hans Felius. Hij zal de jonge tennisser begeleiden tijdens het kwalificatietoernooi. Ron Timmermans, Kortelings eigen trainer, herstelt van een hernia-operatie die hij vrijdag heeft ondergaan. ‘Het is jammer dat hij er niet bij kan zijn’, vertelt Korteling. ‘Hij begeleidt mij normaal bij elk toernooi. En net nu, bij mij eerste grote toernooi, is hij er niet. Gelukkig is de operatie goed gegaan, vertelde zijn vrouw mij gisteren.’
De voorbereiding is niet anders dan bij andere toernooien. Om half tien begint hij met inslaan met Felius. Het gaat lekker. ‘Ik had al het gevoel dat het goed zou gaan toen ik opstond. Soms sta je op met extra veel zin. Dat had ik vanmorgen ook’, vertelt een nu al bezweette Korteling al lopend naar de kleedkamer. Ook die is anders dan hij gewend is. ‘Ik heb een kleedkamer voor mezelf alleen’, zegt hij verbaasd. ‘Dat heb ik normaal nooit. Dan zitten we met alle spelers in één groot hok op houten banken. Moet je hier kijken. Een kamer helemaal voor mij alleen, makkelijke stoelen erin, geweldig.’ Korteling kleedt zich om en half elf gaat hij op zijn gemak nog bij een andere wedstrijd kijken: de Belg Olivier Rochus (wereldranglijst: 39) tegen de Spanjaard Daniel Gimeno-Traver (167). Na twintig minuten heeft de tennisser het gezien. Hij trekt zich terug in de kleedkamer. Voorbereiden op de wedstrijd, rustig, alleen. Een klein uur later komt hij de zaal in. Zijn ouders glimmen van trots. ‘We hebben er alle vertrouwen in’, vertelt Willem Korteling. ‘Hij heeft zich goed voorbereid. Ik hoop dat hij zijn zenuwen onder controle kan houden.’ ‘Als hij de eerste games goed doorkomt, kan het’, vult moeder Annet aan.
Korteling begint zelf met serveren. Hij pakt het eerste punt, maar op 30-15 slaat hij compleet naast de bal, gevolgd door een dubbele fout. Toch spanning? Korteling herpakt zich, en slaat een ace op deuce om vervolgens zijn eigen game te houden. Minar houdt ook zijn eigen servicegame, Korteling pakt geen punt. Op zijn eigen service gaat het vervolgens niet goed en Minar breekt. Daarna een, ondanks verlies, sterke game van de Nederlander, vervolgens love op eigen service: 3-2. Op 4-2 maakt Korteling twee dubbele fouten na elkaar, Minar breekt opnieuw. Willem Korteling kijkt zorgelijk, Annet staart: het vertrouwen lijkt zoek. De Tsjech pakt de eerste set.
In de tweede set gaat het beter, maar Minar serveert sterk. Ook Korteling houdt zijn eigen opslag. Een tiebreak moet uitmaken of er een derde set komt of dat Korteling is uitgeschakeld. De eerste return van Minar is goed en de Tsjech pakt de mini-break. Twee lange slagenwisselingen eindigen doordat Kortelings slagen net te lang zijn. Het wordt 4-0, 4-1 door een ace, 6-2 door een ace, 6-3 door een ace, maar na een misslag van de Leusdenaar wint Minar. Balend trekt Korteling zijn, nu blauwe, haarband af. Hij loopt met zijn hoofd omlaag naar zijn stoel. Verslagen gaat hij zitten, ellebogen op de knieën, hoofd in zijn handen, de handtekeningen jagende kinderen negerend. Nauwelijks een uur heeft de wedstrijd geduurd.
Als de uitgeschakelde qualifier is gedoucht, eet hij wat, terwijl hij de wedstrijd met Felius doorspreekt. Daarna zit het toernooi er op voor de Leusdenaar. De indruk: ‘Groots natuurlijk. Al in de kwalificatie is alles goed geregeld. De organisatie is al beter dan ik gewend ben, maar qua niveau is het ook veel beter. Hier moeten mensen tussen de plaatsen 100 en 150 al kwalificatie spelen. De entourage is leuk, met alle kinderen en lijnrechters om de baan, maar ik sta vijfhonderdste, dus ik moet nog hard werken om dit voortaan altijd mee te maken.’
Korteling speelt de laatste week van februari een Challenger-toernooi in het Duitse Lübeck. Vervolgens heeft hij een week rust en vliegt dan naar Sicilië voor drie Future-toernooien. Dan staan er weer twee weken van training in het saaie Almere of Amersfoort op het programma. ‘En dan wil ik in Italië weer drie Challengers spelen.’ Dat zou zijn in Monza, Rome en Sanremo. ‘Daar wil ik binnenkort steeds staan. Geen Futures meer, maar Challengers.’

Naar boven