Ze speelden vorig jaar in de eerste divisie, maar trokken meer publiek dan ploegen die om het landskampioenschap speelden. Malabata is hot in West-Brabant. De prestaties zijn goed. Dit seizoen spelen de veelal Marokkaanse voetballers in de eredivisie. En ze gaan voor een plek in de play-offs.

Op de Richard Krajicek Playground aan de Beresteinlaan in Den Haag rennen zes jongetjes achter een bal aan. Een van hen maakt duidelijk dat ze Marokkaans zijn. Een rood met groen trainingspak laat immers weinig te gissen over. De kereltjes zijn een jaar of elf. Dertien, hooguit. Ze kunnen er wel iets van. Techniek druipt ervan af. Plotseling stoppen ze ermee als ze merken dat er naar ze wordt gekeken.
‘Moet u straks voetballen’, vraagt er een, terwijl hij naar de naast de playground gelegen sporthal wijst. ‘Nee, ik ga een verslag maken’, is het antwoord.
‘Weet u dat Mourad Boukhari komt?’
‘Ja.’
‘Hij is goed, hè? Hij is echt de beste van Nederland. Hij kan echt goed zaalvoetballen.’
Het is duidelijk wie de held is van de straatvoetballende jeugd. Mourad Boukhari, broer van Ajax-aanvaller Nourdin, laat hun hart sneller kloppen.

Mourad Boukhari is na een jaar van afwezigheid weer terug in de eredivisie futsal. Vorig jaar koos hij voor het avontuur bij eerstedivisionist Malabata uit Roosendaal. Boukha was hot. En hij koos voor de Brabantse ploeg die speelde in een hal in Rucphen. Samen met Fouad El Hamdaoui, ex-speler van Sparta, werd hij gehaald om het ultieme doel te bewerkstelligen: promotie naar de zo felbegeerde eredivisie.
De geschiedenis van Malabata is mooi. In 1996 begon een stel jongens een zaalvoetbalvereniging. De Marokkaanse jongens hadden allen een verleden bij RBC Roosendaal en wilden blijven voetballen. Zaaltje in de stad gehuurd en een zaalvoetbalvereniging was geboren.
In zes jaar tijd promoveerde de club van de krochten van het zaalvoetbal – waarin toch ook de echt grote en brede schoffelaars van het veld spelen – naar de eerste divisie. Daar stokte de zegereeks. In het seizoen 2003/04 maakte de mocroclub eens niet de stap naar een hogere trede, maar eindigde zevende. Dat kon niet. Waarom promoveerde de ploeg niet? Malabata bleek een tekort aan ervaring op hoog niveau te hebben. Zonder mensen van eredivisieniveau kun je de stap naar die eredivisie moeilijk maken, was het idee. Daarom werden begin vorig seizoen Boukhari, El Hamdaoui en Khalid Bouhadan aangetrokken.
Wat ervaring, wat pingelaars, wat rustige spelers, wat entertainers. Het bleek de mix om de laatste stap te maken. Malabata speelt dit seizoen in de eredivisie.
Eén probleem had de vereniging in de afgelopen jaren echter wel steeds. De zaal. De populariteit van de vereniging bracht met zich mee dat het onderkomen te klein werd. Malabata week uit naar Rucphen, omdat in Roosendaal geen geschikte zaal meer was. Het is een mooie sfeervolle hal in Rucphen. Maar ook daar ging het na een aantal jaren mis…
Rucphen is een klein dorpje onder de rook van Roosendaal. Het is zo’n plaatsje waar de ANWB het kleine winkelcentrum nog niet heeft voorzien van de bekende witte bordjes met rode letters om fietsers de weg te wijzen. Naast de supermarkt staat in Rucphen nog een ouderwetse paddestoel met daarop de mededeling dat het naar Roosendaal nog 8,6 kilometer fietsen is. Het is ook zo’n dorpje waarin het nog mogelijk is direct naast het centrum een boerderijtje te houden. Op het erf lopen geiten en kippen. De schuur is enigszins vervallen.
In niets lijkt het de status te hebben van een plaats die een eredivisieploeg herbergt.
Dan maar de voetbalclub opzoeken. Daar moet toch iets van herkenning zijn. Het veld van de zondag-vijfdeklasser RSV ligt op sportpark De Molenberg, direct naast de plaatselijke tennisvereniging. Een stuk of zes vrijwilligers zijn bezig het hoofdveld van nieuwe belijning te voorzien. Het zijn de bekende oude mensen. Clubmensen in hart en nieren, zoals die in elk dorpje bij elke voetbalvereniging zijn te vinden. ‘Malabata? Ja, dat is toch een zaalvoetbalvereniging hier in de buurt? Ik weet er niet zo veel van, hoor. Je kunt dat beter aan hem vragen’, wijst een van de grijsaards naar een A-junior die net komt opdraven voor de training. De A-junior is er wel een paar keer wezen kijken. ‘Het ging wel tekeer af en toe. Veel publiek ook. Allemaal buitenlanders. Een paar mensen van het dorp. Veel meer weet ik ook niet.’ Dan toch nog maar eens proberen in de sporthal zelf.
In het sportcentrum van Rucphen is het ook al rustig. De beheerder van het complex zit achterover op zijn stoel. Het weer is niet best, dus ook in het buitenzwembad is nauwelijks volk. ‘Ja, die speelden hier. Ik las een paar weken terug ook ineens in de krant dat ze hier niet meer komen.’ Hij laat de zaal zien. Er ligt een mooie parketvloer, de roodwitte doelen zijn wat afgebladderd en de zaal is niet groot. ‘Soms was er vijfhonderd man publiek. Dan was de zaal helemaal afgeladen. Ze zijn nu gepromoveerd, hè? Ik begrijp wel dat ze daarom zijn weggegaan. Er is hier weinig uitloopruimte.’ Hij wijst op de muren. Die staan anderhalve meter achter de achterlijn. ‘En als er veel publiek was, moesten ze tot op een meter van de zijlijn staan. Dat leek soms zelfs gevaarlijk.’
Malabata speelt daarom sinds dit seizoen niet meer in Rucphen, maar is uitgeweken naar Breda. De vereniging verwacht dit seizoen per wedstrijd zo’n achthonderd tot duizend toeschouwers, vertelt de website en daarom moet Malabata wel naar een andere zaal. De oud aandoende hal in Breda heeft wel een tribune en lijkt dus geschikter dat het modernere sportcomplex in Rucphen, dat het moet stellen met een kleine uitschuiftribune.
De spelers hebben er nog niet gespeeld. Hun eerste wedstrijd in de voorbereiding is een uitwedstrijd. De ploeg speelt half augustus de eerste oefenwedstrijd tegen de Haagse eerstedivisionist Multicult/Ben Kaya. Beide ploegen zijn verre van compleet, maar dat mag de pret niet drukken. Enkele tientallen toeschouwers hebben toch de moeite genomen de sporthal op te zoeken. Het publiek bestaat voornamelijk uit kleine jongens. Waarschijnlijk zijn ze door de week zelf op tientallen pleintjes te vinden. Hun kunsten met het lederen monster vertonend in een spelletje straat- of pannavoetbal.
De spelers van Malabata komen de zaal in. Hun warming-up bestaat uit het rondtikken van de bal. Als ze een fotograaf zien, heeft Mourad Boukhari de grootste mond. ‘Alleen foto’s maken van mij’, roept hij. ‘De rest doet er niet toe. Ik ben de ster.’ Om dat vervolgens te tonen met een onnavolgbaar aantal trucjes met de bal. Onder zijn voet, op de zijkant, eronder. Op zijn nek, zijn borst zijn hoofd. Soms vraag je je af of er een limiet zit op wat je met een bal kan doen.
De zaal is standaard. Iedereen kent ze wel. Zes basketbalborden aan de muur, een paar klimrekken, klimtouwen en een groene vloer met zeven kleuren lijnen erop. Futsallers gebruiken de zwarte lijnen.
De zaal is een uur gehuurd. Trainer Peter van Koolwijk van Malabata overlegt met de scheidsrechter over de duur van de wedstrijd. Twee keer twintig minuten wordt het. Dat kan best in de eerste wedstrijd. In de eredivisie speelt de ploeg alleen wel langer: twee keer twintig minuten zuivere speeltijd.
Het duurt niet lang of het eerste doelpunt valt al. Melvin Plet, oud-speler van Dordrecht’90, Roda JC en Top Oss, zet hem op zijn naam. Het is al gauw duidelijk dat Malabata een stuk beter is dan Multicult/Ben Kaya. De 2-0 van Boukhari, de 3-0 van Mohamed Azoum en de 4-0 van Saïd Makrani volgen snel. Uiteindelijk wordt het 8-1.
Het duurt een tijdje voor de Hagenaars in de gaten hebben voor wie ze zijn gekomen. Maar als ze het doorhebben, zijn ze niet meer te houden. Bij elk balcontact van Boukha klinken de oh’s en ah’s in de hoop dat hij weer wat moois met de bal doet. Een panna is natuurlijk het mooiste. Mourad Boukhari stelt ze niet teleur. Op de tribune hangen de tieners zover mogelijk over de reling om maar zo dicht mogelijk bij die magnifieke acties te zijn. ‘Mourad, Mourad!’, klinkt het van boven. En ook: ‘Boukhari! Boukha!’ De voetballer hoort het en kijkt zo af en toe naar boven.
Na de wedstrijd hebben de fans de weg naar de zaal weten te vinden. Boukhari zit op één van de banken die de zaal rijk is. Ze worden ook gebruikt als reservebank. Geen luxe, maar gewoon de standaard houten bank waarop iedereen heeft gezeten tijdens de gymles op de basisschool. Boukhari hijgt nog wat na en wordt omringt door de enthousiaste kinderen. ‘Futsal wordt ook in Nederland steeds groter’, vertelt hij. ‘Ja, dat komt voor door al deze kutmarokkanen’, lacht Boukhari terwijl hij zijn hoofd opricht naar het grut om hem heen. ‘Zij vinden futsal veel leuker dan veldvoetbal.’ Boukhari gaat door het leven als de best betaalde futsaller van Nederland, hoewel hij daarover zelf niets wil vertellen. Wel is bekend dat hij meedoet aan straatvoetbaltoernooien. Bij die toernooitjes, waar meestal pannavoetbal wordt gespeeld, is het niet ongebruikelijk dat de winnaar soms met duizend euro naar huis gaat.
Na de wedstrijd is het niet meer blijven hangen voor een biertje. De futsalspelers stappen na het douchen direct in de auto naar huis. Geen bus voor deze eredivisievoetballers. Ook Boukhari stapt in zijn eigen auto. Zijn tas, met Marokkaanse vlag, belandt op de achterbank.